Mijn vriendje is dood

Thema's in dit artikel: , , , , , ,

Het zinnetje ‘die wordt niet oud’ heeft me jaren achtervolgd.

Ik was 12, in groep 8 bij meester van der W. in de klas. Ik zat links bij het raam, naast Agnes. De schooldirecteur kwam binnen en zei: ‘Jullie weten wel waar ik voor kom. Léon is dood.’

Dit is een persoonlijk verhaal van Richard Hattink, Rouw- en Uitvaartspecialist.

Van thuis uit wist ik dat Léon niet oud zou worden. Zo zei je dat in die tijd: ‘die wordt niet oud’. Maar dat hij echt zou overlijden, dat was mij niet helemaal duidelijk. Laat staan dat hij dat in groep 7 zou doen.

Hij was ziek, dat wisten we als klas. Wat hij had? Dat kan ik je tot de dag van vandaag, ruim 30 jaar later, nog altijd niet vertellen. Wat ik wel weet, is dat het nieuws als een koude wind door de klas ging. Er werd niet geschreeuwd, niet gehuild. Het was stil. Zo’n stilte die je als kind niet helemaal kunt plaatsen, maar die je lijf wel onthoudt.

Ik keek naar Agnes naast me, die met grote ogen naar het bureau van meester keek. Meester zelf stond ongemakkelijk voor het bord, alsof hij woorden zocht die hij niet had. We mochten vragen stellen, maar niemand deed het. Ik ook niet.

Thuis werd er niet veel over gezegd. ‘Ja, Léon was ziek,’ zei mijn moeder, terwijl ze de aardappelen afgoot. Alsof je daarmee alles wist. Maar ik wist niet hoe ik erover moest praten, dus deed ik dat ook niet.

Wat ik nog helder voor me zie, is de leegte in de klas. Zijn stoel, zijn plek in de rij naar de gymzaal, zijn lach die wegviel. Je ziet een klasgenoot elke dag en ineens nooit meer.

Nu ik erop terugkijk, was dat misschien wel het moment dat ik voor het eerst echt begreep wat dood zijn betekent. Niet meer komen, nooit meer samen voetballen, nooit meer een strip ruilen op het schoolplein. Gewoon nooit meer.

De stille trom

Ik zat net als Léon bij de muziekvereniging. Tijdens de optocht voor Koninginnedag marcheerden we langs zijn huis. Met stille trom, als eerbetoon. Zou dat het beter hebben gemaakt voor zijn ouders? Ik heb er nooit over nagedacht, want ‘zo doen we dat’. Als iemand overleden is en er is een optocht, dan ga je er langs met stille trom.

Ik zie ons nog lopen, in uniform, trommels en trompetten voorop. Alleen dit keer klonk het anders. Geen vrolijke pas, geen stoere tonen, maar stilte. Ik voelde me ongemakkelijk in die stoet, alsof we iets deden dat groter was dan wijzelf, maar waarvan ik de betekenis niet kon grijpen.

Kinderen in drumband

Ik keek stiekem naar het huis. Gordijnen dicht. Geen gezicht voor het raam. En ik vroeg me af: horen ze ons wel? En als ze ons horen, helpt het dan?

Dat was de eerste keer dat ik besefte dat volwassenen rituelen hebben die niet altijd antwoord geven, maar vooral bedoeld zijn om iets te doen. Om niet helemaal machteloos te zijn. Voor mij als kind was het een vreemde mengeling: trots dat we er liepen en tegelijk een leeg gevoel dat ik met die trom niks kon wegslaan.

Het zwijgen daarna

In de klas werd er later weinig meer over Léon gesproken. Alsof hij langzaam uit het schrift werd gegumd. Zijn naam kwam nog wel eens voorbij, maar zacht, bijna fluisterend. Alsof we er niet te hard over mochten praten, bang dat het pijn zou doen.

Ondertussen zat ik met vragen die ik niet eens onder woorden kon brengen. Wat had hij precies? Waarom stierf hij? Waarom zei niemand gewoon wat er aan de hand was?

Ik heb het er met Agnes nooit meer over gehad. Als je niet weet hoe je iets bespreekbaar moet maken en geen handreiking krijgt, dan bespreek je dus niets. Ik was bang om domme vragen te stellen. Bang dat anderen zouden denken: “Dat weet je toch?” Terwijl ik juist helemaal niks wist.

Wat ik wel wist, was dat ik Léon miste. Zijn aanwezigheid, zijn grapjes, zelfs zijn irritante trekjes. Maar dat misgevoel stopte ik weg, want niemand vroeg ernaar. Het hoorde niet, leek het. Je moest gewoon doorgaan. En dat deed ik ook.

We moesten wel een tekening voor hem maken. Ik begreep de onzinnigheid daarvan: alsof hij die tekeningen ging zien. Het was sowieso geen activiteit waar ik naar uitkeek, maar waarom je op dat moment een tekening moest maken, is mij nooit helemaal helder geworden. Het voelde als een toneelstukje. Ik deed mijn best, maar diep van binnen wist ik: dit gaat Léon nooit meer zien. Daar werd ik boos van, maar die boosheid slikte ik weg. Want waar moest ik ermee naartoe?

Meester voor de klas

Wat kinderen nodig hebben

Pas veel later, toen ik zelf kinderen zag die een vriend of klasgenoot verloren, begreep ik hoe eenzaam dat kan zijn. Je verliest niet alleen iemand, maar ook je woorden, je vragen, je plek om erover te praten.

Er ontbrak toen zoveel. Uitleg over zijn ziekte. Context. Een gesprek. Ruimte om gevoelens te bespreken. Woorden om te begrijpen wat er gebeurde. We kregen geen handvatten, geen beelden, geen stukje begrip. Alsof kinderen vanzelf wel begrijpen hoe dood werkt. Maar zo werkt het niet. Kinderen hebben geen gereedschapskistje klaarliggen.

Dat zinnetje ‘die wordt niet oud’ heeft me jaren achtervolgd. Voor mij als twaalfjarige was het net zo vaag als zeggen: “Het regent misschien morgen.”

Het was niet zozeer Léons dood die me vormde, maar de stilte eromheen. Het uitblijven van woorden, van ruimte, van vragen die mochten. Daarom ben ik er nu, jaren later, nog steeds zo scherp op: kinderen hoeven het niet alleen te doen. Zij hoeven de stilte niet te vullen met hun eigen piekergedachten.

Als we toen in de klas wél dat gesprek hadden gehad, wél die uitleg, wél die erkenning van ons verdriet, dan had ik nog steeds aan Léon gedacht. Maar met een ander gevoel. Niet met dat knagende gemis aan antwoorden, maar met een warme herinnering waar ook ruimte was voor tranen, voor lachen, en voor eerlijkheid.

Want dat is rouw bij kinderen: niet oplossen, niet gladstrijken, maar ruimte maken. Ruimte voor de vragen, de stilte, het niet-weten. En vooral: ruimte om gewoon te mogen zeggen dat je je vriendje mist.

Misschien is dat wel waarom Léon nog steeds bij me is, al meer dan dertig jaar later. Omdat ik toen niet sprak, maar nu wél woorden heb. En omdat ik nu weet hoe belangrijk het is om kinderen te laten praten, te laten vragen, en te laten voelen.

Dood is niet alleen het verdwijnen van iemand. Het is ook de stilte die daarna blijft hangen. En soms is het het grootste cadeau dat je die stilte durft te vullen. Met een verhaal, een herinnering, of gewoon de naam van degene die er niet meer is.

Lees nog meer