Thema's in dit artikel: Cognitieve Gedragstherapie, MH17, Perinataal verlies, Verlies, gecompliceerde rouw, huisdieren, kinderen en jongeren, langdurige rouwstoornis, lichamelijke klachten, perinatale sterfte, prolonged grief disorder, vertraagde rouw
Er wordt wereldwijd veel onderzoek gedaan naar rouw en verlies. Maar wat leverde dat de afgelopen jaren eigenlijk op? We zetten tien bevindingen op een rij die ons opvielen.
Wetenschappers onderzoeken al decennia hoe mensen omgaan met verlies. De afgelopen vier jaar verschenen honderden nieuwe studies. Sommige bevestigen wat we al dachten. Andere zetten gangbare ideeën op hun kop. In dit artikel delen we tien bevindingen. Per inzicht vertellen we welk onderzoek eraan ten grondslag ligt.
1. Vertraagde rouw lijkt zeldzaam
Je hoort het weleens: iemand die aanvankelijk goed lijkt te functioneren en dan maanden of jaren later alsnog instort. Maar hoe vaak gebeurt dat eigenlijk?
Nederlandse onderzoekers van de Universiteit Twente en Rijksuniversiteit Groningen zochten het uit. Ze volgden 299 nabestaanden van de MH17-ramp, negen jaar lang, met jaarlijkse metingen van rouw, posttraumatische stress en depressie.
Ze zagen vier patronen: een groep met weinig klachten (41%), een groep met matige klachten die geleidelijk afnamen (34%), een groep met blijvend hoge klachten (14%) en een groep die al vroeg hersteld was (11%). Opvallend: ze vonden geen patroon van ‘vertraagde rouw’. Mensen die ernstig vastliepen, deden dat meestal in het eerste jaar.
Een kanttekening: dit onderzoek gaat over een specifieke groep (gewelddadig verlies) met jaarlijkse metingen. Kortdurende dips kunnen daardoor gemist zijn. Toch past deze bevinding in een breder patroon: ook andere studies vinden weinig bewijs voor vertraagde rouw.
Bron: Nijborg, L.C.J., et al. (2025). Trajectories of grief-related psychopathology: A decade after the MH17 plane disaster. Journal of Anxiety Disorders, 114, 103036. https://doi.org/10.1016/j.janxdis.2025.103036
2. Therapie bij rouw werkt, ook op langere termijn
Cognitieve gedragstherapie (CGT) helpt je om anders om te gaan met gedachten en gedrag die rouw in stand houden. Maar werkt dat ook echt?
Een internationaal onderzoeksteam, met onder anderen Paul Boelen van de Universiteit Utrecht, dook in 22 studies met ruim 2.600 rouwende volwassenen. De uitkomst: een duidelijk positief effect direct na de behandeling. En bij latere metingen? Was het effect nog groter geworden. De therapie leert mensen blijkbaar vaardigheden die ze blijven gebruiken.
Voor wie overweegt hulp te zoeken: CGT bij rouw is geen vaag ‘praten over je gevoel’. Het is een aanpak met bewezen resultaat.
Bron: Komischke-Konnerup, K.B., et al. (2024). Grief-focused cognitive behavioral therapies for prolonged grief symptoms: A systematic review and meta-analysis. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 92(4), 236-248. https://doi.org/10.1037/ccp0000884

3. Bij kinderen werkt gerichte hulp veel beter dan algemene rouwbegeleiding
Als therapie zo goed werkt, moeten we dan iedereen na een verlies naar een rouwgroep sturen? Voor kinderen en jongeren is daar nu een duidelijk antwoord op.
Duitse onderzoekers analyseerden 39 studies naar hulp aan rouwende kinderen en jongeren, met in totaal 5.578 deelnemers. Ze vergeleken twee soorten hulp: preventieve programma’s voor alle rouwende kinderen, en gerichte interventies voor kinderen die al verhoogde klachten hadden.
Het verschil was groot. Preventieve hulp voor iedereen had een klein effect. Gerichte interventies voor kinderen met duidelijke klachten hadden een veel groter effect dan preventieve programma’s voor iedereen.
Of dit ook opgaat voor volwassenen is nog niet zo uitgebreid onderzocht. Maar het principe lijkt logisch: hulp werkt het best als je het inzet voor wie het echt nodig heeft.
Bron: Hanauer, C., et al. (2024). The efficacy of psychosocial interventions for grief symptoms in bereaved children and adolescents: A systematic review and meta-analysis. Journal of Affective Disorders, 350, 164-173. https://doi.org/10.1016/j.jad.2024.01.063
4. Huisdierverlies kan serieuze rouwklachten geven
“Het was maar een hond.” Wie een huisdier verliest, krijgt zulke opmerkingen soms te horen. Onderzoek laat een ander beeld zien.
Koreaanse psychiaters onderzochten 137 volwassenen na het verlies van een huisdier. Ze gebruikten dezelfde vragenlijsten als bij menselijk verlies: voor gecompliceerde rouw, depressie, angst en slaapproblemen.
In deze groep scoorde 55% boven de drempel voor gecompliceerde rouw, 52% voor depressie, 40% voor angst. Mensen met een voorgeschiedenis van jeugdtrauma hadden extra veel last.
Een nuance: wie meedoet aan zo’n onderzoek heeft vaak meer klachten dan gemiddeld. Dit zijn geen prevalentiecijfers voor iedereen die een huisdier verliest. Maar het laat wel zien dat de impact serieus kan zijn. Huisdierverlies verdient erkenning, ook al snapt de omgeving het niet altijd.
Bron: Ahn, J., et al. (2023). The Relationship Between Childhood Trauma Experience and Complicated Grief: The Importance of Psychological Support for Individuals Coping With Pet Loss in Korea. Journal of Korean Medical Science, 38(37), e305. https://doi.org/10.3346/jkms.2023.38.e305
5. Rouw verhoogt ontstekingsreacties in het lichaam
Dat rouw lichamelijke gevolgen heeft, weten we al langer. Nieuw onderzoek laat zien hoe dat werkt op celniveau.
Amerikaanse onderzoekers vergeleken 143 recent verweduwde ouderen met 69 niet-verweduwde ouderen. Alle deelnemers ondergingen een stresstest. Voor en na werden bloedmonsters afgenomen.
De verweduwde deelnemers toonden een steilere stijging van ontstekingsmarkers. Hun lichaam reageerde heftiger op stress.
Dit helpt verklaren waarom recent verweduwden vaker last krijgen van hart- en vaatziekten en andere lichamelijke klachten. Rouw zit ook in je lijf.
Bron: Wu-Chung, E.L., et al. (2025). Spousal bereavement enhances proinflammatory cytokine production to acute, psychological stress. Psychoneuroendocrinology, 178, 107498. https://doi.org/10.1016/j.psyneuen.2025.107498

6. De overledene ‘zien’ of ‘horen’ is vaak normaal
Veel nabestaanden maken het mee: een stem horen, iemand zien, of een aanwezigheid voelen. Is dat verontrustend?
Deense onderzoekers volgden 310 oudere verweduwden anderhalf jaar lang. Ze keken of deze ervaringen samenhingen met rouwklachten.
In de eerste maanden hadden mensen met zulke ervaringen inderdaad meer klachten. Maar over tijd herstelden zij even goed als anderen. Slechts een kleine groep hield langdurige problemen.
Voor veel mensen zal dit geruststellend zijn: als je je partner nog ‘voelt’ of ‘hoort’, hoeft dat geen teken te zijn dat er iets mis is. Het is een normale variant van rouwen. Houden de ervaringen aan én geven ze je veel last? Dan kan het alsnog zinvol zijn om met iemand te praten.
Bron: Kamp, K.S., et al. (2022). Are Sensory Experiences of One’s Deceased Spouse Associated with Bereavement-Related Distress? Omega, 89(3), 895-915. https://doi.org/10.1177/00302228221078686
7. Bij perinataal verlies heeft 10% aanhoudend hoge rouwklachten in het eerste jaar
Een miskraam, doodgeboorte of neonataal overlijden. Het zijn ingrijpende ervaringen. Maar hoe verloopt de rouw op langere termijn?
Deense onderzoekers volgden 676 ouders die een kind verloren tijdens de zwangerschap of kort na de geboorte. Ze maten rouwsymptomen op 1, 7 en 13 maanden.
De meeste ouders (73%) hadden relatief lage symptomen. 17% herstelde geleidelijk. Maar 10% hield aanhoudend hoge klachten in het eerste jaar: hun klachten bleven hoog en namen in die periode nauwelijks af. Bij doodgeboorten en neonataal overlijden was dit aandeel hoger (16%).
Voor zorgverleners betekent dit: blijf deze ouders volgen. Een deel heeft langdurige ondersteuning nodig.
Bron: Mørk, S., et al. (2023). Grief trajectories after loss in pregnancy and during the neonatal period. Journal of Psychiatric Research, 168, 293-299. https://doi.org/10.1016/j.jpsychires.2023.10.052
8. Rouw vóór het overlijden voorspelt rouw erna
Mantelzorgers rouwen vaak al voordat hun dierbare overlijdt. Wat betekent die ‘anticipatoire rouw’ voor later?
Onderzoekers uit Singapore analyseerden 49 studies met ruim 14.000 mantelzorgers. Ze keken welke factoren vóór het overlijden voorspelden hoe iemand achteraf zou rouwen.
De sterkste voorspeller voor langdurige rouwklachten achteraf? De mate van rouw vooraf. Ook depressieve en angstige klachten speelden een rol.
Interessant: bij partners was dit verband zwakker dan bij andere mantelzorgers. Mogelijk biedt anticipatoire rouw hen enige voorbereiding.
Bron: Malhotra, C., et al. (2025). Psychological Risk Factors Associated With Mental Health Outcomes Among Bereaved Care Partners. Journal of the American Medical Directors Association, 26(12), 105909. https://doi.org/10.1016/j.jamda.2025.105909

9. Kritische vragen bij de nieuwe rouwdiagnose
Sinds 2022 staat ‘langdurige rouwstoornis’ in de internationale classificatiesystemen. Een Portugese psychiater plaatst daar kritische kanttekeningen bij.
In een uitgebreide beschouwing wijst hij erop dat het meeste onderzoek naar langdurige rouw komt uit Europa en Noord-Amerika. Hoe rouw zich uit en wat als ‘normaal’ geldt, verschilt per cultuur. Daar is nog te weinig onderzoek naar gedaan.
Het risico dat hij schetst: rouwreacties die in andere culturen heel gewoon zijn, kunnen ten onrechte als stoornis worden gezien.
Dit is geen empirisch onderzoek, maar een kritische analyse. Toch is het een stem die gehoord mag worden nu de diagnose wereldwijd wordt ingevoerd.
Bron: Gouveia, A. (2024). On the concept, taxonomy, and transculturality of disordered grief. Frontiers in Psychology, 14, 1165421. https://doi.org/10.3389/fpsyg.2023.1165421
10. Internationale validatie toont regionale verschillen
Om de nieuwe rouwdiagnose wereldwijd te kunnen gebruiken, moet die in verschillende culturen getest worden. Een internationaal team deed een eerste poging.
Ze onderzochten bijna 1.400 rouwende volwassenen uit de VS, Griekenland, Cyprus, Turkije en Iran. Het percentage dat aan de criteria voor langdurige rouwstoornis voldeed, verschilde per regio: 6,9% in Griekenland-Cyprus, 3,2% in Turkije-Iran, en 2,8% in de VS.
De diagnose lijkt wereldwijd bruikbaar. Maar culturele context doet er wel degelijk toe. Vervolgonderzoek in meer regio’s is nodig.
Bron: Killikelly, C., et al. (2023). Measurement and assessment of grief in a large international sample. Journal of Affective Disorders, 327, 306-314. https://doi.org/10.1016/j.jad.2023.01.095
Wat betekent dit?
Tien studies, veel cijfers. Maar wat heb je daar nu aan als je zelf midden in een verlies zit? Of als je iemand probeert te helpen die rouwt?
Misschien vooral dit: er is geen mal waar jouw rouw in moet passen. Mensen rouwen heel verschillend. De meesten komen op eigen kracht door een verlies heen. En het zien of horen van een overledene, of intens verdriet om een huisdier? Dat zijn geen tekenen dat er iets mis is met je.
Tegelijk laten deze studies zien dat sommige mensen vastlopen. Rouw kan een eigen leven gaan leiden. Voor hen is gerichte hulp beschikbaar. Hulp die werkt.
Als professional is de belangrijkste les misschien wel: minder doen voor de velen, meer doen voor de weinigen die het echt nodig hebben. Niet iedereen hoeft naar een rouwgroep. Maar wie na maanden nog worstelt, verdient meer dan een luisterend oor alleen.
En voor ons allemaal geldt: rouw verdient erkenning. In al zijn vormen. Ook de vormen die we misschien niet direct herkennen als ‘echte’ rouw.