Thema's in dit artikel: Rouw, Traumatisch verlies, copingstrategieën, gecompliceerde rouw, langdurige rouwstoornis, rouwproces, rouwzorg, therapeutische interventie, veerkracht
Over de grenzen van rouwzorg
In Nederland is 1 op de 20 volwassenen in behandeling bij de geestelijke gezondheidszorg. Het gangbare idee is dat psychotherapie werkt en hard nodig is. Maar therapeut Flip Jan van Oenen stelt in een interview met NRC een ongemakkelijke vraag: wat als dat idee zelf het probleem is?
Van Oenen, vijfendertig jaar werkzaam in de ggz, betoogt dat psychotherapie vaker niet dan wel werkt. Van de mensen die therapie krijgen, knapt naar schatting 60 procent niet op. Van de 40 procent die wel opknapt, was dat bij 15 procent ook zonder therapie gebeurd. Slechts een kwart ervaart daadwerkelijk meerwaarde van de behandeling.
Dat is nogal wat. Je kunt je afvragen hoe dit zich verhoudt tot wat we weten over rouw en rouwzorg. Goed om eens de wetenschap in te duiken. Dat laat namelijk zien dat de kernboodschap van Van Oenens ook voor rouwzorg opgaat. Met een nuancering.
De meeste mensen zijn veerkrachtig
In een studie uit 2002, gepubliceerd in het Journal of Personality and Social Psychology, volgde George Bonanno 205 mensen van vóór het overlijden van hun partner tot 18 maanden erna. Hij identificeerde vijf verschillende rouwtrajecten.
Het meest voorkomende patroon? Veerkracht. Deze mensen ervaren wel verdriet, maar functioneren relatief snel weer. Ze worstelen niet langdurig met het verlies en hebben geen behandeling nodig. De groep met ‘normale rouw’ – het patroon dat we traditioneel als standaard beschouwen – was juist relatief klein.
Een vervolgonderzoek uit 2005 door Boerner, Wortman en Bonanno bevestigde dit beeld. Mensen die in de eerste maanden na het verlies weinig klachten rapporteerden, bleven het ook vier jaar later goed doen. Lage aanvankelijke stress was dus geen teken van ontkenning van rouw of vermijding van verdriet, maar van gezonde aanpassing.

Wanneer interventie het natuurlijke proces verstoort
Hier raakt het rouwonderzoek aan Van Oenens centrale these. Margaret Stroebe en Henk Schut formuleerden in 2005: interventies kunnen het natuurlijke rouwproces verstoren wanneer ze kort na het verlies worden ingezet.
De meta-analyse van Wittouck en collega’s uit 2011, gepubliceerd in Clinical Psychology Review, onderstreepte dit. Veertien gerandomiseerde studies werden geanalyseerd. De conclusie: preventieve interventies – behandelingen gericht op rouwenden in het algemeen – hadden geen aantoonbaar effect. In sommige studies waren de resultaten zelfs negatief.
De verwachting dat professionele hulp nodig is, kan de eigen copingmechanismen ondermijnen. Wie leert dat rouw een probleem is dat opgelost moet worden, verliest mogelijk het vertrouwen in het eigen vermogen om met verlies om te gaan.
Van Oenen beschrijft hetzelfde fenomeen vanuit de ggz: mensen op een wachtlijst gaan minder vooruit dan mensen die niet op een wachtlijst staan. Het wachten op hulp laat de overtuiging bestaan dat hulp nodig is. Dat je het niet alleen kunt. En dat ondermijnt de eigen veerkracht.
Het onderscheid dat ertoe doet
Toch is dit niet het hele verhaal. Dezelfde meta-analyse van Wittouck toonde namelijk ook aan dat behandelinterventies – gericht op mensen met gecompliceerde rouw – wel degelijk effectief waren. De effectgrootte was significant, zowel direct na de behandeling als bij follow-up. Bij die laatste meting was het effect zelfs toegenomen.
Een recente netwerk meta-analyse uit 2024, gepubliceerd in het Asian Journal of Psychiatry, bevestigt dit. Gedragstherapie, cognitieve therapie en derde-generatie cognitieve gedragstherapie zijn allemaal effectief bij verlengde rouw. De effecten zijn daarbij niet marginaal.
Waar het dus om gaat is niet of therapie werkt, maar bij wie therapie werkt. Ongeveer 10 procent van de rouwenden ontwikkelt een verlengde rouwstoornis (PGD). Bij traumatisch verlies (bijvoorbeeld na moord, suïcide, ongelukken) loopt dit percentage op tot bijna de helft. Voor deze groep is gerichte behandeling zeker effectief.
Wanneer heeft iemand wél hulp nodig?
Schut en Stroebe formuleerden een belangrijke leidraad: interventies zijn het meest effectief wanneer de rouw gecompliceerder is, wanneer het risico op complicaties hoger is, én wanneer de nabestaanden zichzelf hebben aangemeld.
Dat laatste punt is iets om op te letten. Want zelfaanmelding voor hulp blijkt een betere voorspeller van behandelbehoefte dan screening of doorverwijzing. Wie zelf aanklopt, ervaart waarschijnlijk daadwerkelijk problemen en is gemotiveerd om eraan te werken. Wie verwezen wordt, mist mogelijk die eigen inschatting en motivatie.
Interventies zijn over het algemeen effectiever voor mensen met complicaties in het rouwproces. De vraag ‘heeft deze persoon behandeling nodig?’ is dus belangrijker dan de vraag ‘welke behandeling werkt het best?’
Wat helpt dan wél?
Van Oenen beschrijft drie ‘verdraagmechanismen’: hoop houden, smart delen en in beweging blijven. Hij ziet de therapeut vooral als iemand die deze mechanismen ondersteunt, niet als iemand die het probleem oplost.
Dit sluit aan bij het Dual Process Model van Stroebe en Schut. Volgens dit model schakelen rouwenden voortdurend tussen verliesgeoriënteerde coping (het verdriet voelen, herinneringen ophalen) en herstelgeoriënteerde coping (nieuwe rollen oppakken, praktische zaken regelen). Gezonde rouw vraagt om beide.
Wat een therapeut kan doen, is ruimte bieden voor dit proces. Door aanwezig te zijn zonder zelf ontredderd te raken. Door te normaliseren dat rouw pijn doet en tijd kost. Door vertrouwen uit te spreken in het eigen vermogen van de rouwende.
Implicaties voor de rouwzorg
Wat betekent dit voor professionals? Ten eerste: terughoudendheid bij mensen die kort geleden iemand verloren hebben en geen duidelijke risicofactoren vertonen. Vroegtijdige interventie kan meer kwaad dan goed doen. Wachten is soms de beste behandeling.
Ten tweede: vertrouwen in de veerkracht van nabestaanden. De meerderheid heeft geen professionele hulp nodig. Dat is geen reden tot zorg, maar een gegeven om te communiceren. Rouw is geen ziekte die behandeld moet worden.
Ten derde: alertheid op de groep die wél behandeling nodig heeft. Verlengde rouw is een erkende stoornis die effectief behandeld kan worden. De kunst is om deze groep tijdig te identificeren zonder de grotere groep te medicaliseren.
En ten slotte: eerlijkheid over wat we wel en niet kunnen. Therapie lost rouw niet op. Het kan helpen om ermee om te gaan, vooral wanneer het proces vastloopt. Maar uiteindelijk, zoals Van Oenen het formuleert, zullen mensen het zelf moeten doen. Iemand kan even met je meelopen, daarna loop je alleen verder.
Verdragen als werkwoord
Van Oenen noemt zijn boek ‘Verdragen’. Die titel raakt aan iets wezenlijks in de rouwervaring. Verlies is niet op te lossen. Het is te dragen, met vallen en opstaan, met goede en slechte dagen, met steun van anderen en met momenten van eenzaamheid.
De vraag is niet of we nabestaanden kunnen helpen. Natuurlijk kunnen we dat. De vraag is hoe. Soms door professionele behandeling aan te bieden. Veel vaker echter door aanwezig te zijn, door te luisteren, door vertrouwen uit te spreken. En soms door een stap terug te doen en ruimte te laten voor het natuurlijke proces van aanpassing.
De boodschap is niet dat hulp zinloos is. De boodschap is dat de verwachting van hulp soms het probleem kan zijn. En dat de meeste mensen sterker zijn dan we denken.
Bronnen
Interview
- De Bruin, E. (2026, 22 januari). Psychotherapie werkt vaker niet dan wel. Beperk daarom maar het aantal sessies [Interview met Flip Jan van Oenen]. NRC Handelsblad.
Wetenschappelijke artikelen
- Bonanno, G. A., Wortman, C. B., Lehman, D. R., Tweed, R. G., Haring, M., Sonnega, J., Carr, D., & Nesse, R. M. (2002). Resilience to loss and chronic grief: A prospective study from preloss to 18-months postloss. Journal of Personality and Social Psychology, 83(5), 1150–1164. https://doi.org/10.1037//0022-3514.83.5.1150
- Bonanno, G. A., Wortman, C. B., & Nesse, R. M. (2004). Prospective patterns of resilience and maladjustment during widowhood. Psychology and Aging, 19(2), 260–271. https://doi.org/10.1037/0882-7974.19.2.260
- Boerner, K., Wortman, C. B., & Bonanno, G. A. (2005). Resilient or at risk? A 4-year study of older adults who initially showed high or low distress following conjugal loss. The Journals of Gerontology Series B, 60(2), P67–P73. https://doi.org/10.1093/geronb/60.2.p67
- Hao, F., Qiu, F., Liang, Z., & Li, P. (2024). Psychotherapies for prolonged grief disorder in adults: A systematic review and network meta-analysis. Asian Journal of Psychiatry, 99, 104133. https://doi.org/10.1016/j.ajp.2024.104133
- Schut, H., & Stroebe, M. (2005). Interventions to enhance adaptation to bereavement. Journal of Palliative Medicine, 8(Suppl 1), S140–S147.
- Schut, H., Stroebe, M. S., van den Bout, J., & Terheggen, M. (2001). The efficacy of bereavement interventions: Determining who benefits. In M. S. Stroebe, R. O. Hansson, W. Stroebe, & H. Schut (Eds.), Handbook of bereavement research: Consequences, coping, and care (pp. 705–737). American Psychological Association.
- Stroebe, M., & Schut, H. (1999). The dual process model of coping with bereavement: Rationale and description. Death Studies, 23(3), 197–224. https://doi.org/10.1080/074811899201046
- Wittouck, C., Van Autreve, S., De Jaegere, E., Portzky, G., & van Heeringen, K. (2011). The prevention and treatment of complicated grief: A meta-analysis. Clinical Psychology Review, 31(1), 69–78. https://doi.org/10.1016/j.cpr.2010.09.005