Thema's in dit artikel: A Grief Observed, Boeken, C.S. Lewis, Film, Joy Davidman, Kanker, Partnerverlies, Rouw, Rouwverwerking, Shadowlands, Verlies, blijvende banden, continuing bonds, rouwproces
Hoe C.S. Lewis met radicale eerlijkheid het taboe op rouw doorbrak
In 1961 verscheen een dun boekje bij een Britse uitgeverij, geschreven door een onbekende auteur genaamd N.W. Clerk. De titel: A Grief Observed. Het boek bevatte de ongepolijste gedachten van een man die net zijn vrouw had verloren aan kanker. Niemand wist wie de schrijver was, en dat was precies de bedoeling.
Pas na de dood van de auteur, twee jaar later, kwam de waarheid aan het licht: achter het pseudoniem zat C.S. Lewis, de wereldberoemde schrijver van De Kronieken van Narnia en een van de invloedrijkste christelijke denkers van de twintigste eeuw.
Waarom zou je vandaag nog een boek lezen over rouw dat meer dan zestig jaar geleden werd geschreven? Omdat Lewis iets deed wat ook nu nog zeldzaam is: hij beschreef rouw zoals het werkelijk voelt. Rauw, verwarrend, fysiek uitputtend. Zonder de troostende formules waar we zo graag naar grijpen.
De film Shadowlands (1993) volgt het verhaal van Lewis (Anthony Hopkins) en Joy Davidman (Debra Winger): hun ontmoeting, hun onwaarschijnlijke vriendschap, het huwelijk dat begon als een praktische regeling (zodat Joy in Engeland kon blijven), en hoe dit uitgroeide tot een diepe liefde. Het laatste deel van de film behandelt Joy’s ziekte en Lewis’ rouw.
Een man die zijn masker afzette
Lewis was 61 jaar toen zijn vrouw Joy Davidman stierf. Ze waren pas vier jaar getrouwd geweest. Voor Lewis, die het grootste deel van zijn leven vrijgezel was geweest, kwam de liefde laat. En het verlies kwam vroeg.
In de dagen en weken na haar dood vulde hij vier notitieboekjes met zijn gedachten. Die notitieboekjes werden dit boek. Lewis wilde ze publiceren, maar durfde zijn naam er niet aan te verbinden. Als publiek figuur had hij een reputatie hoog te houden. Het boek dat hij schreef paste daar niet bij.
De openingszin zet meteen de toon:
“Niemand heeft me ooit verteld dat rouw zo op angst lijkt. Ik ben niet bang, maar de gewaarwording is als bang zijn. Hetzelfde gefladder in de maag, dezelfde rusteloosheid, het gapen. Ik blijf maar slikken.”
Lewis beschrijft vervolgens een gevoel dat veel rouwenden zullen herkennen:
“Op andere momenten voelt het alsof ik licht dronken ben, of een hersenschudding heb. Er hangt een soort onzichtbare deken tussen de wereld en mij. Ik vind het moeilijk om op te nemen wat mensen zeggen. Of misschien vind ik het moeilijk om het te wíllen opnemen. Het is zo oninteressant. Toch wil ik dat de anderen om me heen zijn. Ik vrees de momenten waarop het huis leeg is.”
Dit was in 1961 geen normale manier om over verdriet te schrijven. Het naoorlogse Engeland was een cultuur van emotionele gereserveerdheid. Mannen werden geacht sterk te zijn, hun gevoelens voor zich te houden. De befaamde “stiff upper lip”. Lewis doorbrak die norm door op papier te zetten wat hij werkelijk ervoer.
“Niemand vertelde me over de luiheid van rouw”
Wat het boek zo herkenbaar maakt, ook voor lezers zonder religieuze achtergrond, zijn de concrete observaties over hoe rouw aanvoelt in het dagelijks leven.
Lewis beschrijft de “luiheid van rouw” met een eerlijkheid die ook nu nog zeldzaam is:
“En niemand heeft me ooit verteld over de luiheid van rouw. Behalve op mijn werk, waar de machine min of meer normaal lijkt door te draaien, heb ik een afkeer van de geringste inspanning. Niet alleen schrijven, maar zelfs het lezen van een brief is te veel. Zelfs scheren. Wat maakt het nu nog uit of mijn wang ruw of glad is?”
Hij vervolgt met een observatie die verklaart waarom rouwenden soms vervuilen:
“Het is makkelijk in te zien waarom eenzame mensen slordig worden, en uiteindelijk vies en weerzinwekkend.”
Lewis merkt op dat rouw zich verspreidt over alles. Hij had verwacht dat het verdriet het sterkst zou zijn op de plekken waar hij samen met zijn vrouw was geweest. Maar in plaats daarvan:
“Haar afwezigheid is op die plekken niet nadrukkelijker dan waar ook. Het is helemaal niet plaatsgebonden. Ik veronderstel dat als je alle zout zou worden ontzegd, je het niet veel meer zou missen in het ene voedsel dan in het andere. Eten in het algemeen zou anders zijn, elke dag, bij elke maaltijd. Zo is het. De handeling van leven is door en door anders. Haar afwezigheid is als de lucht, overal verspreid.”
De filosoof Peter Goldie, die Lewis’ werk analyseert in een academisch artikel over rouw, beschrijft dit fenomeen als “diffuse rouw”: het gevoel dat niet alleen een persoon is verdwenen, maar dat er iets veel groters is weggevallen (Goldie, 2011).

Rouw is geen kaart, maar een kronkelende vallei
Misschien wel de bekendste passage uit het boek gaat over het niet-lineaire karakter van rouw. Lewis schrijft in zijn vierde en laatste notitieboekje:
“Ik dacht dat ik een toestand kon beschrijven; een kaart van verdriet kon maken. Verdriet blijkt echter geen toestand te zijn, maar een proces. Het heeft geen kaart nodig, maar een geschiedenis. En als ik niet op een willekeurig punt stop met het schrijven van die geschiedenis, is er geen reden waarom ik ooit zou stoppen. Er valt elke dag iets nieuws te vertellen.”
En dan volgt de beroemde metafoor:
“Rouw is als een lange vallei, een kronkelende vallei waar elke bocht een totaal nieuw landschap kan onthullen. Zoals ik al opmerkte, doet niet elke bocht dat. Soms is de verrassing andersom: je wordt geconfronteerd met precies hetzelfde soort landschap waarvan je dacht dat je het kilometers geleden achter je had gelaten. Dan vraag je je af of de vallei niet gewoon een cirkelvormige loopgraaf is. Maar dat is het niet. Er zijn gedeeltelijke herhalingen, maar de volgorde herhaalt zich niet.”
Dit schreef Lewis in 1960. Elisabeth Kübler-Ross publiceerde haar beroemde vijf-fasenmodel pas in 1969. Lewis wist toen nog niet dat hij een theorie weerlegde die nog moest worden geformuleerd.
Eerder in het boek beschrijft hij dit heen-en-weer bewegen met pijnlijke precisie:
“Vanavond zijn alle hellen van jonge rouw weer opengegaan; de krankzinnige woorden, de bittere wrok, het gefladder in de maag, de nachtmerrie-achtige onwerkelijkheid, de tranen waarin je je wentelt. Want in rouw blijft niets op zijn plaats. Je komt steeds uit een fase tevoorschijn, maar die keert altijd terug. Rond en rond. Alles herhaalt zich. Beweeg ik in cirkels, of durf ik te hopen dat het een spiraal is?”
Inmiddels is er veel kritiek op het idee dat rouw in voorspelbare fasen verloopt. Onderzoekers Margaret Stroebe, Henk Schut en Kathrin Boerner van de Universiteit Utrecht concludeerden in 2017 dat “stadia-theorie naar het verleden moet worden verwezen” omdat geen enkele studie ooit heeft aangetoond dat deze fasen werkelijk bestaan zoals Kübler-Ross ze beschreef (Stroebe, Schut & Boerner, 2017). Lewis’ beschrijving van rouw als kronkelende vallei sluit veel beter aan bij wat we nu weten over hoe rouw werkelijk verloopt. Hij was zijn tijd vooruit.
De angst om te vergeten
Een thema dat door het hele boek loopt, is Lewis’ angst om zijn vrouw te vergeten, of erger: om een vertekend beeld van haar te creëren. Hij beschrijft dit met een metafoor die blijft hangen:
“Langzaam, stil, als sneeuwvlokken, als de kleine vlokken die vallen wanneer het de hele nacht gaat sneeuwen, dwarrelen kleine vlokjes van mij, mijn indrukken, mijn selecties, neer op het beeld van haar. De echte vorm zal uiteindelijk volledig verborgen zijn.”
Lewis worstelt met het besef dat zijn herinneringen aan Joy steeds meer zijn eigen constructie worden:
“De werkelijkheid is er niet meer om me te corrigeren, om me tot stilstand te brengen, zoals de echte H. zo vaak deed, zo onverwacht, door zo volkomen zichzelf te zijn en niet mij.”
Hij vreest dat hij in zijn herinnering een ideaalbeeld zal construeren dat niets meer te maken heeft met wie ze werkelijk was:
“Het kostbaarste geschenk dat het huwelijk me gaf, was deze voortdurende impact van iets zeer nabij en intiem, maar tegelijk onmiskenbaar anders, weerstand biedend. Met één woord: echt. Moet al dat werk nu ongedaan worden gemaakt?”
En dan, met de directheid die het hele boek kenmerkt:
“Wat een beklagenswaardige flauwekul om te zeggen: ‘Ze zal voor altijd in mijn herinnering voortleven!’ Voortleven? Dat is precies wat ze niet zal doen.”
Rouwtherapeuten herkennen dit thema. De moderne continuing bonds-theorie, die stelt dat een voortdurende band met de overledene gezond kan zijn, worstelt met dezelfde vraag: hoe behoud je een relatie met iemand die er niet meer is, zonder die persoon te reduceren tot een projectie van jezelf?
Verlies als amputatie
Lewis gebruikt door het hele boek heen de metafoor van een amputatie. Het is een beeld dat de blijvendheid van verlies erkent zonder te vervallen in hopeloosheid:
“Er zo snel overheen? Maar die woorden zijn dubbelzinnig. Zeggen dat de patiënt ergens overheen is na een blindedarmoperatie is één ding; nadat zijn been is afgezet is het iets heel anders. Na die operatie geneest de gewonde stomp, of de man sterft. Als hij geneest, zal de felle, aanhoudende pijn stoppen. Straks krijgt hij zijn kracht terug en kan hij op zijn houten been rondstommelen. Hij is ‘ergens overheen’. Maar hij zal waarschijnlijk zijn hele leven terugkerende pijn in de stomp hebben, en misschien behoorlijk erge pijn, en hij zal altijd een eenbenige man zijn.”
Voor wie dit boek waardevol kan zijn
Laat me eerlijk zijn over wat dit boek wel en niet is.
Het is geen zelfhulpboek. Lewis geeft geen tips of oefeningen. Hij vertelt geen inspirerend verhaal over hoe hij sterker uit zijn verdriet kwam. Het boek eindigt niet met een nette conclusie.
Het is ook onmiskenbaar een boek van zijn tijd. Lewis was een diepgelovig christen, en een groot deel van het boek gaat over zijn worsteling met God. Lezers zonder religieuze achtergrond zullen sommige passages misschien overslaan. Dat is prima.
Maar wat het boek biedt, is iets dat ook na zestig jaar nog zeldzaam is: volledige eerlijkheid over hoe verdriet aanvoelt. Lewis laat zien dat verwarring, woede, uitputting, en het gevoel dat je niet weet hoe je verder moet, geen tekenen zijn dat je het verkeerd doet. Ze horen erbij.
Madeleine L’Engle, die het voorwoord schreef bij een latere editie, vatte het zo samen:
“Ik ben Lewis dankbaar dat hij de moed had om te schreeuwen, te twijfelen, naar God te schoppen met boze heftigheid. Dit is een deel van gezonde rouw dat niet vaak wordt aangemoedigd. Het geeft ons toestemming om onze eigen twijfels toe te geven, onze eigen woede en angsten, en te weten dat ze deel uitmaken van de groei van de ziel.”
Wat professionals kunnen leren
Voor rouwbegeleiders en andere professionals biedt het boek een aantal waardevolle inzichten.
Ten eerste laat Lewis zien hoe fysiek rouw kan zijn. De vergelijking met angst, de luiheid, het gevoel van een deken tussen jezelf en de wereld: dit zijn ervaringen die veel rouwenden herkennen maar zelden durven te benoemen. Het kan helpen om cliënten te laten weten dat deze ervaringen normaal zijn.
Ten tweede is het boek een les in wat rouwenden niet nodig hebben. Lewis beschrijft hoe mensen hem ontwijken, hoe ze verlegenheid tonen. Hij vat zijn frustratie samen:
“Het meest mag ik de welopgevoede jongemannen, bijna jongens, die op me aflopen alsof ik een tandarts ben, vuurrood worden, het achter de rug brengen, en dan zo snel als fatsoenlijk mogelijk is naar de bar schuifelen. Misschien zouden rouwenden in speciale nederzettingen moeten worden geïsoleerd, zoals melaatsen.”
Wat hij wel nodig had? Aanwezigheid. Erkenning. Ruimte om zijn gedachten uit te spreken zonder dat ze werden “opgelost”.
Ten derde toont het boek dat twijfel en woede deel kunnen uitmaken van een gezond rouwproces. Lewis, de man die boeken schreef over waarom lijden bestaat, kon zijn eigen theorieën niet meer geloven toen het lijden hem persoonlijk raakte. Dat maakt hem niet zwak of inconsequent. Het maakt hem menselijk.
Een boek om naast je bed te leggen
Het ironische van A Grief Observed is dat het, nadat het onder Lewis’ naam werd gepubliceerd, vaak werd gegeven aan rouwenden door goedbedoelende vrienden. Sommigen wisten niet dat dezelfde vrienden het ooit aan Lewis zelf hadden gegeven toen hij rouwde, niet wetend dat hij de auteur was.
Het boek is nog steeds in print, in tientallen talen vertaald, en wordt wereldwijd aanbevolen door rouwtherapeuten. Op Goodreads heeft het bijna 100.000 beoordelingen.
Je hoeft het niet in één keer uit te lezen. Je hoeft het niet van begin tot eind te lezen. Het is het soort boek dat je naast je bed kunt leggen en kunt openen wanneer je daar behoefte aan hebt. Sommige passages zullen je raken, andere niet. Dat is precies zoals rouw werkt.
Lewis schreef dit boek, zoals hij zelf aangeeft, als “een verdediging tegen totale instorting, een veiligheidsklep.” Zestig jaar later is het nog steeds een uitgestoken hand in het donker.
Wat dit boek ons leert over rouw
Samenvattend biedt A Grief Observed een aantal inzichten die ook na zestig jaar relevant blijven:
- Rouw voelt vaak fysiek aan. Het is normaal om symptomen te ervaren die lijken op angst, uitputting, of zelfs ziekte.
- Rouw verloopt niet in vaste fasen. Het is eerder een kronkelende vallei met onverwachte wendingen en terugkerende landschappen.
- Het is normaal om bang te zijn de overledene te vergeten, of om te merken dat je beeld van hem of haar langzaam verandert. Deze angst hoort bij rouw.
- Mensen om je heen weten vaak niet hoe ze moeten reageren. Hun verlegenheid of onhandigheid zegt niets over jouw verdriet.
- Woede, twijfel en verwarring kunnen deel uitmaken van gezonde rouw. Ze hoeven niet te worden opgelost of weggepraat.
En misschien wel het belangrijkste: je hoeft je niet te schamen voor hoe je rouwt. Lewis, een van de meest gerespecteerde denkers van zijn tijd, durfde pas na zijn dood toe te geven hoe verwoestend zijn verdriet was geweest. Wij mogen dat eerder doen.
Praktische informatie
Titel: A Grief Observed
Auteur: C.S. Lewis
Oorspronkelijke uitgave: 1961 (als N.W. Clerk), 1964 (als C.S. Lewis)
Nederlandse vertaling: Verdriet, Dood en Geloof (Uitgeverij Van Wijnen)
Omvang: Circa 80 pagina’s
De citaten in dit artikel zijn door de auteur vertaald uit de Engelse editie.
Bronnen
- Goldie, P. (2011). Grief: A Narrative Account. Ratio, 24(2), 119-137. https://doi.org/10.1111/j.1467-9329.2011.00488.x
- Lewis, C.S. (1961). A Grief Observed. Londen: Faber and Faber.
- Scrutton, A.P., & Hewitt, S. (2020). ‘And so she returned to the Eternal Source’: Continuing Bonds and the Figure of Dante’s Beatrice in C.S. Lewis’ A Grief Observed. The Heythrop Journal, 62(5), 851-862. https://doi.org/10.1111/heyj.13795
- Stroebe, M., Schut, H., & Boerner, K. (2017). Cautioning health-care professionals: Bereaved persons are misguided through the stages of grief. Omega: Journal of Death and Dying, 74(4), 455-473. https://doi.org/10.1177/0030222817691870